donderdag 23 augustus 2012

Als je de voordeur openzet

Vanmorgen zette ik de voordeur vast open. In mijn agenda stond een afspraak met een aannemer om de voordeur te repareren. Met het mooie vochtige weer klemde de deur zo verschrikkelijk dat ik mijn eigen huis niet meer uit kon. Dus toen ik het hondje had uitgelaten, hem te eten had gegeven en in de bench gezet, heb ik de voordeur vast open gedaan.

Eerst kwam de loodgieter door de deur om de douche-badkraan te repareren. Ik hoopte al dat hij kwam. De aannemer had er al iets over losgelaten. De loodgieter vertrok naar de badkamer en stelde vast: het is geen douche-badkraan, maar een bad-douchekraan. Kennelijk iets heel anders en zeker niet op voorraad. Gelukkig testte hij het probleem nog even en met zijn magische aanwezigheid bleek het euvel al verholpen. Ik kreeg nog een instructie over kalk verwijderen en de loodgieter ging exit.

Even later hoorde ik opnieuw stemmen in de hal. De timmermannen van de aannemer waren aangekomen. IJverig gingen ze aan de slag en lichtten de deur uit zijn hengsels. Een gewichtig karwij. Ondertussen kwam mijn moeder binnen om mij te helpen in de badkamer. Daarna zouden we een kopje koffie drinken.

Met de warme geurige drank op tafel arriveerde Sarah. We hadden afgesproken om een serieus gesprek te hebben met de bank. Soms hebben instanties wat druk nodig om te begrijpen wat je wilt en in dit geval krijgen we het gevoel een hele kudde olifanten te moeten overtuigen. Heel uitdagend...

Op het moment dat Ati weer is vertrokken, er een complete werkplaats is ingericht voor de voordeur of eigenlijk voor het gat van de voordeur en Sarah en ik de wachtrij doorstaan bij de bank, staat er opeens een wild vreemde vent in mijn huis. Ik ben wel wat gewend en ik vraag vriendelijk wat hij komt doen. Hij stelt zich voor al een medewerker van Meijra en zoekt mevrouw Poortman. Daarbij kijkt hij verwachtingsvol naar Sarah die stralend zegt: “Dat ben ik.” “Ik ook,” voeg ik er vriendelijk aan toe. Ik laat de man even in verwarring en neem dan het initiatief. Ik heb geen afspraak met Meijra. Hij is een beetje in de war, kijkt in zijn papieren, rommelt wat en laat mij een papier zien. Hij zegt: “Euh nee, geen afspraak, maar hier staat dat ik het moet proberen.” Inderdaad staat er op een papiertje mijn naam en met pen het woord 'proberen'. Hij heeft geluk, want de deur stond al open. Ik zeg het dit en vraag hem mij te zeggen wat hij wil. Hij probeert mij uit te leggen wat hij komt doen, maar weet het zelf eigenlijk ook niet.

Sarah vertrekt met de wachtrij naar de tuin en ik neem de tijd die man dan maar uit te leggen wat hij komt doen. Er was iets met tilbanden en liften en veel vaagheden. Het is maar goed dat ik ze op een rijtje heb.

Na ongeveer 20 minuten komt Sarah uit de tuin. Ik kijk haar verwachtingsvol aan. Zij vertelt dat ze aan de andere kant gezocht hebben naar de persoon die we wilde spreken, haar niet gevonden hebben, maar de belofte geven dat ze terugbelt. Dat heeft ze later trouwens inderdaad gedaan.

Ondertussen staat de Meijra-man nog te meten en denken in de badkamer. Vlak voor het voordeurgat hoor ik een zaag snerpen. Ik besluit de Meijra-man uit zijn lijden te verlossen en leg heel rustig uit wat ik denk dat er moet gebeuren. Hij is het met mij eens en ter plekke onderneemt hij actie. Dat lijkt de goede kant uit te gaan. Na een telefoontje en aantekeningen legt hij uit hoe het nu verder gaat. Als ik vraag om mij op de hoogte te houden van de voortgang, kijkt hij mij vreemd aan. Ik kijk overtuigend terug en geef hem mijn e-mail.

Na een tijdje en wat heerlijke verfgeuren vertrekken de timmermannen ook. De rust is weergekeerd. Bijna, want ik voel me nog wat fragmentarisch en verdeeld. Na een half uur mag ik de deur dicht doen, want dan is de verf droog.

Mijn raad is als je geen gasten wilt, zet dan je voordeur niet open. Ik zet de voordeur niet vaak open. Met een ondernemende hond als Banjo is dat niet handig. Maar als de deur openstaat, sta je verbaasd wat er allemaal binnenloopt. Dit verhaal staat niet op zichzelf.

Liefs,
Simone

zaterdag 19 mei 2012

Groningen

Het Groningse land is wijds. De wind heeft vrijspel. Her en der verspreid liggen boerderijen. Van verre herkenbaar. Het strakke land wordt opgeschud door bosjes, bomen, een heg en daartussen statige gebouwen. Toefjes in de platheid.

Een zo'n toefje is boerderij De Diek'n, waar we dit weekend zijn neergestreken. We logeren in de oranje kamer. De dekbedhoezen zijn oranje, de schilderijen zijn oranje, de handoeken en washandjes zijn oranje en de afwaskwast, het slabestek en de bekertjes zijn ook oranje. 

Na een heerlijke rit met mijn groene racemonster kwamen we gisteren aan. Het was mijn eerste echte lange rit. Meer dat twee uur rijden. Ati had een pauze georganiseerd in de Noord-Oostpolder bij de orchideeentuin. Het was niet druk op de weg en ik kon lekker doorrijden. Het racemonster interpreteerde de borden 130 km/uur verkeerd en ik probeerde hem op de afgesproken 120 km/uur te houden. Twee keer stonden we stil omdat de brug open was. Al het verkeer op de autosnelweg maakt dan plaats voor een paar zeilbootjes en een motorboot. Als de brug weer open is, duurt het lang voordat iedereen weer op tempo is. Voorbij de stad Groningen verandert de weg in een autoweg met twee banen. De rondweg was een nachtmerrie, maar zeker een melkkoe voor de stad. Je mag er 70km/uur en geen kilometer sneller. Het racemonster protesteerde heftig, maar gaf uiteindelijk toe aan mijn leiding. De autoweg was beter. Honderd mag je er in plaats van tachtig. Dat wilde wel lukken. De Tomtom leidde ons verder en opeens reden we op een fietspad door de Groningse landerijen. Even twijfelde ik of dit wel de bedoeling was, maar als Tomtom het voorstelt, moet het toch kloppen. Na een miniem bruggetje en een laatste bocht zagen we de boerderij liggen. Ik draaide de parkeerplaats op en was niet tevreden met hoe het racemonster stond. Dus reed ik nog even achteruit om hem daarna opnieuw netjes in te steken.

De daarop volgende uren liepen anders dan ik me had voorgesteld. Het koele glas bier moest ik voor onbepaalde tijd uitstellen. In plaats van ontspannen na te genieten van de reis, bleef ik alert met een bijna lege telefoon op mijn schoot. De onvoorzienigheid had een nieuwe les voor mij uitgedacht en besloten dat onze aankomst in Groningen het moment was om die les te geven. De les houdt het midden tussen 'improviseren voor gevorderden' en 'hoe tel ik mijn zegeningen'.
Midden op het pad vlak voor het parkeervak staat het racemonster stil en komt niet meer in beweging. Terwijl ik schakel van reverse naar drive, verlies ik het contact met de schakelkast. De enige stand die er nog beschikbaar is, is park en dat is wat er gebeurt. Het racemonster staat geparkeerd en sluit de weg volkomen af. Er kan geen auto meer in of uit. Voor mij het parkeervak, achter mij de heg. Ik blijk met wat manouvreren net met de lift half via de heg uit de bus te kunnen komen.

We wachten met een kop thee op de ANWB. Na de thee inspecteren we onze oranje kamer en denken na over het diner. Daarna wachten we verder tot de meneer in de gele auto aan komt rijden. Ik wurm me weer achter het stuur. Het blijkt geen routine probleem te zijn. Ik bel met mijn lege telefoon het mobiele nummer van de baas van de garage van mijn racemonster. De ANWB-meneer en de garagebaas overleggen via mijn telefoon heen en weer. De mobiele monteur graait als een chirurg onder de motorkap. Zijn jas gaat uit en ondanks de regen staan alle deuren en ramen open. Uiteindelijk ligt hij onder mijn voeten op de vloer en amputeert het boutje tussen de elektronische aandrijving en de mechanische aandrijving van de schakeldoos. Hij morrelt wat en ik vertel in welke stand de bus komt te staan. Zo werken we samen en de bus komt redelijk netjes op de parkeerplaats te staan. Er is geen snelle oplossing voor het euvel en het groene racemonster moet per autoambulance naar de specialist in Amsterdam.

Ati en ik blijven verweesd achter op het landschappelijke toefje De Diek'n te Groningen. Maandag worden wij ook gerepatrieerd. Maandag pas, want ik laat mij een heerlijk ontspannen weekend niet door de neus boren door een kapotte auto. We kunnen wandelen, lezen, niets doen en onze vrienden kunnen ons ook hier bezoeken.
iefs, Simone

zaterdag 5 mei 2012

De rommelkamer


Ieder huis heeft wel zo'n ruimte waarin alle rommel wordt opgeslagen. Het kan een diepe kast zijn, een schuur of een extra kamertje. Mijn mij is het iets tussen een diepe kast en een kamer in. Het heet 'de rolstoelkamer', omdat bij de bouw van mijn appartement de architect heel precies de voorschriften had gelezen. In een rolstoeltoegankelijk huis moet een afgesloten ruimte zijn om de rolstoel in op te laden. Accu's kunnen kwalijke dampen verspreiden als ze worden opgeladen en er zijn ook verhalen over accu's die spontaan in brand vliegen. Zoiets moet dus niet zomaar in de woonkamer, of erger nog in de slaapkamer gebeuren. Dus is er een speciaal hokje gerealiseerd om de rolstoel veilig op te laden. Nu is dit kamertje hiervoor nooit gebruikt. Het huis is dan wel rolstoeltoegankelijk, maar het kamertje is het nauwelijks. Iemand die niet 100.000 rij-ervaringsuren heeft, krijgt het onwillige gevaarte nimmer in het kamertje. Laat staan dat je er dan bij kunt om hem op te laden. Het kamertje is dus mijn rommelkamer geworden.

Rommel heeft de neiging om zich te vermenigvuldigen. Het kamertje is steeds voller geworden. De deur kon nog wel dicht, maar er omheen in de gang begon zich van alles te verzamelen dat ook in het kamertje wilde. Een timmerkist, een boormachine, een startbooster, een doos met autowasmiddelen, een fles met ruitenwisservloeistof en meer van dat spul dat alleen in een rommelkamer thuis hoort. Het begon me steeds meer te irriteren. Rommel achter de deur kan ik mee leven, maar dan ook nog van alles in de gang gaat me echt te ver.

Dus heb ik de stoute schoenen aangedaan en Wati, mijn hulp, gezegd dat ik graag het rommelkamertje wil opruimen. Zij werd gelijk enthousiast tot mijn stomme verbazing. Vandaag was het zover. Ik had een extra kop koffie gemaakt om mezelf moed in te drinken. Ik zet me schrap als Wati de deur open doet. De rommel valt nog net niet allemaal over ons heen, maar de kamer is zo vol dat we blij moeten zijn dat de deur niet eerder is bezweken.

Een voor een haalt ze de spullen voorzichtig uit het hok. De dozen van de nieuwe computer puilen letterlijk naar buiten. Die kunnen nu wel weg. De PC doet het en ik wil hem niet meer inruilen.
De container met hondenvoer gaat als tweede aan de kant. Dan de reisrolstoel die altijd geduldig staat te wachten tot ik hem nodig heb. Nu is er een beetje ruimte om de rest van de rommel te inventariseren.

Kerstspullen, heel veel kerstspulletjes vinden we her en der verspreid. Een snoer met blauwe kerstlampjes en nog een snoer met lampjes, een doos met een draaimolen die werkt op kaarsen, een smeedijzeren kerstboomstandaard, een Zweedse ljus krona in een bijpassende doos en een rood hart om in de boom te hangen. Wati verzamelt het allemaal en bergt het op boven op de kast. De kast waarvan de deuren niet open kunnen omdat er zoveel voor staat.

We komen toe aan een groene rol. Het is een slaapmatje voor in een tent. We vinden ook twee antieke stretchers, een luifel van een tent en een zakje met tentringetjes en ander tent materiaal. Ze legt het op mijn grote rugzak. Ik vertel Wati dat ik met die rugzak echt op pad ben geweest. In gedachten herinner ik me de kampeerweken met het Byrd consort. We reden als hippies in een bus met op de ramen geschilderde ballonnen en het woord 'hallo' op neus van de auto. We maakten straatmuziek in Zeeuws Vlaanderen en België. Wij hadden geen muren van bierkratten, maar wel heel veel lege wijnflessen.
Mijn tent heb ik enkele jaren geleden weggegeven. De fijne herinneringen aan die tent lieten het niet toe dat de tent in het rommelkamertje zou wegrotten. Nu heeft hij een goede bestemming in het zuiden van Frankrijk. Ik had de tent zelf in geen twintig jaren nodig gehad en ik durfde hem wel af te staan. Ik schatte in dat mijn kampeerjaren voorbij waren. Een jaar later lag ik in Frankrijk als een zwerver bij vrienden in de tent. Zeg dus nooit dat je nooit meer zult kamperen.

Wati ruimt enkele gewone rugzakken en koffertjes op die in het kamertje zwierven. Keurig opgestapeld boven op de planken zijn ze mooi uit het zicht.

In een platte doos vinden we mijn duikvest. Het ligt er keurig en ziet er gaaf uit. Wat is het alweer lang geleden dat ik gedoken heb. Kijkend naar het vest weet ik hoe afhankelijk je van zo'n ding bent als je duikt. Je vertrouwt er blindelings op. Ik verplaats me in gedachten onderwater met mijn hele duikset aan. Het voelt veilig, ik voel me thuis. Het duikvest gaat voorlopig de deur nog niet uit. Wati hangt hem netjes op een hangertje aan de kastdeur.

Er staan vijf dozen met boeken in het kamertje. Ze komen allemaal uit de boekenkast in de logeerkamer. De logeerkamer is ongeveer even groot als het rommelkamertje. Hier staan alleen een opklapbed en een IKEA boekenkast. Die boekenkast wilde ik jaren geleden graag opruimen. Samen met mijn moeder ben ik begonnen om alle boeken te beoordelen. Er was een doos met boeken die ik wilde houden en nog een en nog een. Tot er tenminste vier dozen waren en een stapel boeken waar ik echt niet zonder kon. Die mochten in de kast blijven staan. Voor zover ik me herinner was er ook een doos met boeken die weg konden. Ik weet niet meer waar die is. Vermoedelijk is het een van die dozen in de rommelkamer. Wati heeft alle dozen opgestapeld tegen de muur. Misschien is het een klusje voor de winter om die boekenkast alsnog opnieuw in te richten en alle boeken er weer in te passen.

We vinden een pepermuntblikje met daarop afbeeldingen van de koningin als meisje. “Kijk eens wat de uiterste houdbaarheidsdatum is?” vraag ik. “2005”, grijnst Wati. Die kunnen dus weg.
Zo verdwijnt er best veel.

In een grote witte emmer zitten mijn wijnmaakspulletjes. Verspreid staan er ook enkele grote bruine flessen. Eens maakte ik mijn eigen wijn, maar het is heel veel werk vooral op momenten dat je even geen tijd of hulp hebt. De resultaten waren wisselend. Ik herinner me een hele lekkere witte rozenbottelwijn, maar alle andere ben ik vergeten. Binnen in mij is het verlangen om zelf wijn te maken nog steeds aanwezig. Ik geef mijn pers, slangen, zeven, watersloten, flessen en super emmer nog niet op. Al is het maar een mooie glanzende gouden mede, maar ik zal nog een keer iets laten gisten.

Ondertussen kunnen we het mozaïek op de vloer weer herkennen. De tegels zijn rood met hier en daar een witte. Wati balanceert op het trappetje en beheerst de hele ruimte. Spullen komen op planken, op stapels, op de kast en op elkaar. “Wat als er een aardbeving komt?” vraag ik haar. Ze kijkt me verschrikt aan en haalt haar schouders op. Dat zien we dan wel weer, lijkt ze te denken. Er is ruimte in het kamertje. We hebben niet eens heel veel weggegooid. Alles heeft nu zijn eigen plekje.

De rolstoel kan er weer in en er is nog veel plek over. De rommeltjes naast de deur krijgen een plekje in de kamer. De container met hondenvoer staat vrij achter de rolstoel. En de deur gaat dicht. De gang is leeg.

Ik voel me super tevreden!

Liefs,
Simone

woensdag 8 februari 2012

Nog even over auto’s

Achter het stuur van een auto komt je allerslechtste kant naar boven. Deze opmerking heb ik wel eens gehoord en direct weer laten gaan. Wat een onzin moet ik toen gedacht hebben. Hoe enkel het besturen van een auto nu van invloed kan zijn op je karakter? Het waarom ben ik nog steeds niet achter, maar ik weet nu wel dat het waar is. Zo langzamerhand krijg ik telkens een beetje meer rijervaring en ontdek ik totaal nieuwe kanten van mijn zo vertrouwende vriendelijke, positieve en stabiele karakter. De eerste keer dat ik mezelf een sarcastische opmerking hoorde maken over een oudere chauffeur die rustig en bedaard optrok bij het stoplicht, schrok ik van mezelf. Na talloze incidenten als deze kijk ik er niet meer van op. Ik heb me er bij neergelegd.

Zodra ik thuis het blauwe kastje met commandoknopjes om mijn nek hang, ben ik een andere persoon. Vrij en ongebonden ligt de wereld aan mijn voeten. Ik nestel me achter het stuur van mijn auto en voel me volkomen op mijn gemak, vertrouwd zelfs. Een voor een start ik alle onderdelen van de auto op en ik noteer de kilometerstand. De auto is mijn cocon. Het liefst neem ik niemand mee en zit ik heerlijk alleen in de bus. Ik geniet van de vrijheid.

Zoevend langs de snelweg realiseer ik me opeens dat ik de touwtjes in handen heb. Het gaat zo vanzelf en natuurlijk. Toen ik net mijn rijbewijs had, wist ik zeker dat ik nooit zomaar een vrachtauto zou inhalen. Zeg nooit nooit want ik haal het niet in mijn hoofd achter zo’n trage slak te blijven hangen. De tweede, of zelfs derde baan is mijn plek op de weg. Het wisselen van baan is een natuurlijke actie. Ik denk er niet meer over na. Ik rijd gewoon waar het het snelst gaat.

Ik denk nog wel eens aan Daniël, mijn rijinstructeur. Als ik met hem langs de weg kroop, verzekerde ik hem dat hij zich geen zorgen hoefde te maken over het tempo. Ik had gelijk of eigenlijk ook weer niet. Ik maak me soms erge zorgen over het tempo. Vooral als er een flitspaal in de buurt is. De tomtom heeft me nog nooit verteld dat ik te hard reed. Hopelijk betekent dat dat ik nog steeds binnen de marge rijd, maar de kilometerwijzer op mijn dashboard geeft soms verontrustende getallen aan.

Maar wie heeft er ooit bedacht dat je een 30-kilometerzone kunt instellen? Dertig kilometer per uur is echt te weinig voor een auto. Hoe ik ook mijn best doe, 30 rijden is bijna onmogelijk. Voor je het weet, schiet je door tot 35 of 40 kilometer per uur. Intomen is nauwelijks mogelijk, want dan sta je weer stil! Op een woonerf of wandelgebied kan ik me voorstellen dat je echt langzaam rijd, maar op een doorgaande weg in dorp of stad vind ik het schandalig. Daar moet een wet voor komen.

’s Avonds rijd ik over de bekende weg naar huis. Natuurlijk is er plaats voor mij op de overvolle snelweg en als de omstanders dit niet direct in de gaten hebben dan pas ik ook tussen twee auto’s die net genoeg tussenruimte hebben. Gelukkig voelen andere auto’s dit aan en ontstaat er altijd een veilige ruimte om in te voegen. De provinciale weg is bijna leeg. De donkerte omhult ons. Ons is de auto en mij. De bomen steken scherp af tegen de avondlucht. Het asfalt is zwart. De auto zoeft en ik houd hem in zodat we net 80 km tuffen. De bomen maken plaats voor weilanden aan beide kanten van de weg. De volle maan staat recht boven de weg.

Eenmaal aangekomen en veilig geparkeerd op de Madoerahof laat ik de motor nog even draaien. Stil zit ik nog even te genieten. De motor maakt een zacht rustgevend geluid. Ik probeer moed te verzamelen om mijn vertrouwde, veilige cocon te verlaten.

Ach, laat ik het gewoon zo samenvatten:

Als ik autorijd, ben ik zoooooooooooo gelukkig!

Liefs,
Simone

woensdag 28 december 2011

Zo, daar zijn we dan

Hyves sterft langzaam uit. Soms hoor je al een flauwe echo als je er roept. Toch staat daar mijn weblog en die wordt als maar eenzamer en eenzamer. Helaas is Facebook niet de omgeving waar mijn blog zich thuisvoelt. Er is zo weinig ruimte om lekker te lezen.

Dus heb ik de stoute schoenen aangetrokken en een blogaccount gemaakt hier op blogger.com. Ja ja, waar een workshop sociale media al niet goed voor kan zijn. Dit moet ik opgeslagen hebben tijdens het enige moment dat ik wakker was, want de rest van de workshop was, laat ik het vriendelijke zeggen, slaapverwekkend.

Het is nog een beetje onwennig. Toch heb ik er alle vertrouwen in dat het hier een gezellig stek wordt. Er moet hier en daar nog wat geklust worden. Behangetje op de muur, een schilderijtje van mij (of door mij) en zo nog wat kleinigheden komen vanzelf. Ik maak geen haast.

Ik wens iedereen een heel zinvol en voorspoedig 2012. Ik heb in ieder geval een mooi voornemen nu alvast omgezet in actie.

Liefs,
Simone